“Niet een God buiten mij, maar God als de Natuur: de alomvattende eenheid van het bestaan waar ik deel van uitmaak, en die doordringt tot in mijn diepste zelf.” [1]
“Hoe vind je zin in een universum dat zo onvoorstelbaar groot is, dat wij mensen daarin nauwelijks meer zijn dan een stofje? … is het niet juist de sterrenkunde die ons vertelt dat wij allemaal uit dezelfde zeven elementen bestaan?” [1, 2]
“De wetenschap zal ons niet redden… of toch? […] Als we ons realiseren dat we onderdeel zijn van de oneindige natuur of de kosmos, kan dat de angst voor de dood wegnemen.” [, 2]